is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1866, 1866

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ven. Heerlijk als een wijfje je zit op te wachten bij een hoop gesmeerde broodjes en een knappend vuur; dat’s heel iets anders als dat je daar een vuile meid moet bellen en vragen;

„BEETHA, kijk eens in de kagchel, ik geloof dat hij weer uit is gegaan.”

Waarom is dat Studentenleven hier dan toch zoo heel anders dan in Parijs P Hier sta ik zoo vervelend alleen in den vreemde, niet dat ik ’t huisselijk leven zoo regretteer, ojé neen! een familieontbijt, verbeeld je, als je oude vrouw je vertelt hoe ze dien nacht in haar droom levend onder den grond werd gestopt, en de pipa een verhaal over zijn cauchemar opdischt, terwijl je broertje aan zijn neus zit te plukken, en de gouvernante lauw water in de kopjes giet familieleven, bah! ik schenk ’t aan de liefhebbers, om daar oppasser te spelen voor de oudste zuster en rariteit voor de jongste; dat jongeheeren van die oude keukenmeid bevalt me ook maar half, of liever, ik walg er van. Summa summarum, ik ben nergens lekker; miskend, dat ben ik.

BERTUA is verbaasd over mijn matineuse bui: zij staart mij veel meer aan dan ik noodig oordeel. Terwijl zij de kagchel aanlegt, dat treuzelende, zwijgende, morsige ding, en mijn ontbijt gereed zet, voelt zich de magtelooze woede laag genoeg om op haar hoofd neer te dalen. Nadat ik haar met verachting heb zitten opnemen, en haar verwittigd dat ze rottige handen heeft, van uitgedroogde modderslootjes door-

M.

3