is toegevoegd aan je favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1866, 1866

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bed, ik zou niet weten wat ik langer opdeed. Daar slaat ’t al twaalf. Een sombere klok, die Dom, een klok om spoken op te roepen. Tuit alweer een execrabel vervelende dag.

Tl.

Pray walk this way and don't hang down your heads.

Longfellow

stel ik woon op gestoifeerde kamers. Na een gezelligen avond trek ik opgeruimd naar kooi. Beneden schijnt buurvisite te zyn, ze menageren me bepaald, die Ini, want hoe zacht praten ze niet; daar gaan ze al heen. Hoor eens, de menschen mogen anders wel zoo’n jooltje hebben van tijd tot tijd, als ze zoo den ganschen dag in ’t touw zijn. Zeker heel prettig bij malkaar geweest, want ze eindigen met een heerlijk homerisch gelach. De contubernalen hoor ik nog arriveren, even voor dat ik indommel; nachtbrakers zijn ’t direct niet, ik geloof dat ’t fidele Ini zijn, vrolijke kerels, ’t spijt me dat ik nog geen kennis met ze gemaakt heb; morgen breng ik ze een bezoek.

Droomen van verre familiebetrekkingen en overleden vrienden, wakker worden en napret hebben, weer indutten in de hoop, dat er een soort vervolg zal zijn; jongens dat’s zoo plezierig, dat doet je zoo’n