is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1866, 1866

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ik geef dus volkomen toe: emma was niet wat men eene schoonheid pleegt te noemen. Maar met dat al ik wenschte dat ge haar gezien, dat ge haar gekend hadt!

Haar hoog, edel voorhoofd liep uit in een neus van echten Eomeinschen vorm. Gaf dit reeds iets fiers aan haar gelaat, dit verkreeg eene gebiedende, bijna trotsche uitdrukking, door de fijnbesnedene, aan de hoeken eenigszins nederwaarts loopende lippen van den gesloten mond, waarvan de nauw merkbaar ingetrokken onderlip met de volmaakt gevormde kin, een onverbeterlijk geheel uitmaakte. —En hare oogen ik wilde dat ik ze u kon vóortooveren! Ze waren niet schoon, heb ik gezegd maar ze waren wechsleepend van uitdrukking. Wanneer de lieftallige eigenaresse luisterde naar een belangrijk gesprek of schoone musiek, was het alsof ze verre, zeer verre voorwaarts blikte naar een onbekend gewest, waar zij zag hetgeen zij hoorde, het onopgeloste uitééngezet, het onbegrepene verklaard. Nimmer zal ik de uren vergeten, in haar bijzijn doorgebracht, wanneer wij op eene of andere wandeling, een weinig afgezonderd van de overigen, naast elkander voortgingen en zij , met gebogen hoofd luisterende naar hetgeen ik, on waardige, zeide, nu en dan plotseling het hoofd ophief en mij beloonde met een blik, welsprekender dan vele woorden. Want gewoonlijk sprak zij weinig. Wanneer zij echter sprak, spreidde zij een kennis ten toon, die onder onze