is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1866, 1866

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ELEGIE OP DEN DOOD VAN EEN’ JONGELING.

Wat somb’re lijkstoet trekt daar henen?

Wieu draagt men op die doodenbaar ?

Wat wil dut zuchten, klagen, weeneii,

Dat snikken van die vriendenschaar ?

Dat vochtig oog van vriend en magen,

Dan naar den hemel opgeslagen

Als of het diiar vertroosting zocht;

Dan weêr droefgeestig neergezonken,

Met starren blik aan d’aard geklonken,

Of ’t graf zijn prooi hergeven mocht!

Een’ jong’ling in den bloei van ’t leven,

Een’ jong’ling in zijn volle kracht.

Ach! moest hij nu reeds ons begeven ?

Dekt nu reeds hem der graven nacht?

Zijn hoop, zijn heerlijkste idealen