is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1867, 1867

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE DROOM.

Waar langs liet strand de baron

Zich schuren met gedruisoli,

Daar stond niet lang geleden

Een arme visscbersklnis.

Het hutjen was bouwvallig ,

Ja ’t scheen of ’t strooien dak

Zóo aanstonds in zou storten,

Zóó wieglend was ’t en wrak.

Maar toch wie eens naar binnen

Het oog maar even sloeg,

Ik wed, dat hij mij peinzend

En vol verwondering vroeg!

Ik dacht, dat sleclits bij rijken

’t Geluk des Levens throont,

En nu van waar toch komt het.

Dat hiér ook Vrede woont

W ant zie in gindsch vertrek jen ,

Zóo somber en zóo naakt.

Een lieve teedre moeder.

Die bij heur kindjen waakt.

Ze heeft het daar zóo even

In zoeten slaap gesust,

En zie nu eens hoe heerlijk

Dat Engeltje daar rust!