is toegevoegd aan uw favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1868, 1868

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stelde het bergje nog eens te zdeken, waar ik wist dat men een fraai uitzicht liad, werd er besloten dat Oom en Tante in ’t logement zouden blijven; zij waren moede; de jongelui moesten maar gaan; men zou ze dan opwachten met de thee. Dat was best.

»Ge zult wel vermoeid zijn, Suze!’’ zei ik.

»Ja een beetje wel.”

»Mag ik je dan mijn arm presenteeren.”

» Gaarne!”

Van Herben keek haar vreemd en mij uitdagend aan. Nu zoude het mijn beurt zijn om triumpheerend rond te zien, maar ik deed het niet: ik was te gelukkig. Zoo gearmd te loopen met haar; naar haar zoet gekeuvel te luisteren; met haar te spotten over de kwalen van Nicht Saartje; met haar te lachen om menschen, die mij anders volkomen onverschillig waren; met haar te treuren over de stilte van Naarden; o, dat alles was zalig! Neen, Suze was niet dom, niet onnoozel, niet onverstandig! zij was allerbevalligst, ja zóó lieftallig als ik haar nog nooit had gezien. Ik was dus recht opgewekt en was, ’t geen niet dikwijls gebeurde, zeer vriendelijk tegen van Herben; doch hij was koeler dan ooit en zijn gelaat nam nu en dan eene uitdrukking aan als of hij een of ander vast besluit had genomen. Suze vroeg mij naar ’t studentenleven, en ik vertelde haar allei’lei grappen, die ik deels zelf had bijgewoond, deels van anderen gehoord had; en welke belooning zoude ik liever gewenscht hebben? Suze lachte er hartelijk om.