is toegevoegd aan je favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1868, 1868

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

en jaloersch en daardoor in een verdrietige stemming. Eenige flauwe, onbeduidende ojimerkingen over het naderende onweer was het eenige, dat er tusschen ons gesproken werd.

In de verte hoorden wij het rollen van den donder; een hevige dwarlwind zweepte de atvallende bladeren in ’t rond en weldra vielen er groote, lauwe regendruppels, en toen wij even onder dak waren brak de hui in al haar hevigheid los. «Goddank, dat ge binnen zijt!” riep Tante, die doodsangsten had uitgestaan in onze afwezigheid. Wij stonden allen voor het raam, niemand sprak een woord; stilzwijgend, geheel onder den indruk van ’t grootsch tafereel, staarden wij naar buiten. Daar buiten was het onrustig: daar kampten de elementen; onrustig was het ook in mijn binnenste: daar streden de hartstochten. Ik gevoelde minder smart dan nijd: zij had hem de voorkeur gegeven boven mij, hem, dien onbeduidenden modefat, wiens kennis niet veel verder ging, dan dat hij iersche mos van ijslandsche, en zuivere saffraan van vervalschte, kon onderscheiden: hem had zij lief! Voor hem moest ze voortaan alles zijn; voor mij mocht ze niets meer wezen, dan een nicht. Zij was toch schoon; zie, zoo als ze daar stond, met haar hand in de zijne, met haar angstig gezichtje, dat zij telkens vol schrik afwendde bij het schitteren van den bliksem, scheen zij mij nog schooner toe, dan van middag in haar dartele vroolijkheid. Ik keerde mij af; ik kon niet langer zien hoe hij haar hand drukte om haar gerust te .stellen,