is toegevoegd aan je favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1868, 1868

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ha! hoe die aren zinken

En vallen allemaal,

Bij ’t zwaaien en bij 't blinken

Van ’t scherp gewette staal!

Meedoogenlooze maaier !

Hij voelt geen schijn van smart;

De wreede sikkelzwaaier,

Van vreugde klopt zijn hart!

Den blik nog eens geslagen

Op d’afgesehoren grond.

Ziet hij, met welbehagen

Op ruïnes slechts, in ’t rond !

Zij moest veeleer gelijken

Den landman, wijs en vroed,

Die d’oogst met vreugdeblijken

En dankbaarheid begroot.

Omzichtig, kalm, behoedzaam

Scheidt hij het nutt’loos kaf

En ’t onkruid van het voedzaam

En rijpe koren af. *

Hij zegent blij den akker,

Die zulke vruchten bracht;

En als hij straks weer wakker.

Met vastheid en met kracht,

Den ploeg jaagt door de kluiten

En nieuwe voren trekt,

En ook boe kon ’t daiir buiten ?

Den grond met mest bedekt....

Hij doet dit, liopend, 'ïvachtend,