is toegevoegd aan je favorieten.

Utrechtsche studenten almanak voor ..., 1868, 1868

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Zijnen drempel te overschrijden.

Door een reet heen gaf m’ een kool hem,

Door de deur een knettrend brandhout;

Heerscher in het Land der Geesten

Maakten zij hem, Vorst der dooden,

En hem werd in last gegeven

Altijd vuren te onderhouden,

Hun ten dienst, die namaals stierven.

Vuren voor hun nachtlijk leger,

Op hun reize, droef en eenzaam,

Naar de rijksstad van Ponémah ''*)

Naar de landen van ’t Ilier-namaals.

Van het dorpjen zijner kindsheid.

Der bekenden woning scheidend.

Gaat hij zwijgend door de bosschen.

En gelijk de rookwolk dwarlend

Zijwaarts afdrijft, zoo wordt eindlijk

Chibiabos gansch onzichtbaar!

Waar hij gaat, beweegt geen takjen,

Waar hij treedt, daar buigt geen halmpjen;

Drukt zijn voet het dorre boomblad,

Rest van ’t najaar, dit zelfs kraakt niet.

Vier geheele dagen trok hij

Langs het pad af van de dooden ;

Na ’t gebruik der dooden-bezie

Stak hij de rivier der droefheid

Langs den ranken boomstam over,

Naakte voorts het Meir van Zilver,

Bracht hem dan het steenen Bootjen