Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SCHEIDSRECHTERLIJKE BESLECHTING VAN EEN GESCHIL NOPENS DE INKOMSTEN DER GEESTELIJKE GOEDEREN, TUSSCHEN H. VORDENÜS, DEKEN VAN OLRENZAAL, C. 8. TER EENRE, EN DE GEDEPUTEERDEN VAN DE PROVINCIE OVERIJSEL TER ANDERE ZIJDE, MET ANDERE BESCHEIDEN DAAROP BETREKKING HEBBENDE (A« 1622—1623.)

Tot beter begrip der volgende stukken en bun onderling verband dient hier een inleidend woord vooraf te gaan.

Toen in April 1621 het twaalfjarig Bestand ten einde was en de oorlog tusschen Spanje en Holland hervat werd, begonnen ook opnieuw de aanslagen op geestelijke en andere goederen.

Meer bijzonder schenen de Staten van Holland gebelgd over de inbeslagneming der landerijen van graaf Hendrik van den Bergh, te Geertruidenberg en omstreken , over die der goederen van het Kartuizer klooster en van het kapittel aldaar.

Dit noopte gemelde Staten, in het begin van 1622, om de abdij van Berne eerst met confiscatie te bedreigen en kort daarna de inbeslagneming der abdijgoederen te gelasten aan den ontvanger Fockestaer, ')

1) Elders genoemd: «rentmeester van de domeijnen, baenderheer van Kessel ende pagador van desselts compagen, oick penningmeester van de dijckagie des Lants van Heusden.»

Sluiten