Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

schrijft, ja zelfs van ééne er twee maakt) „stichtte zij” (Bessela) „almede die van Mersberch of Maarsbergen, omtrent Lensden bij Amersfoort” enz. „Zij had het tot een nonnenklooster van Premonstreit bestemd en door een convent uit Monnikenwoert bevolkt.” En blz. 31: „Ingramus Rompot” (abt van Berne omtr. 1430—1435) . . . „maakte het plan om de proostdij van Meersherch, welke sedert lang geene nonnen meer bevatte, in een mannenklooster te veranderen; doch dit voornemen is niet volvoerd.” —■ Eindelijk Hezenmans schrijft t. a. p.: „Later stichtte zij” (Bessela) „een tweede klooster te Maarsbergen, ... en eindelijk een derde te Honswijk, die bevolkt werden door religieuzen, welke onder haar oog gevormd waren.”

Wie zou door zooveel gezag niet worden medegesleept, te meer daar alles zoo natuurlijk volgt? Wie zou vooral niet gelooven betgene van Honswijk, onder Rijswijk bij Woudricbem, gezegd wordt, wanneer de predikant van Dam van Brakel, met een oorspronkelijke oorkonde in de band, ons zoowel den biechtvader als de overste der nonnen met naam en van noemt zelfs nog by het jaar 1548 —En toch is dit alles voor een groot gedeelte onjuist, en hetgeen van Honswijk in ’t bijzonder wordt gezegd, niets dan een pure vergissing. Beliana Haghens, in de bewuste oorkonde genoemd, was de overste Bominicanessen te Woudrichem, en Birk van Bueren was de biechtvader of pater dier nonnen.

Laten wij thans, aan de band Tan bet archief yan Berne, een nauwkeuriger onderzoek instellen.

Tot de bewering dat Bessela te Maarsbergen een

1) Blz. 34.

Sluiten