Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

lating Tan hunne goederen de stad te verlaten. Nergens vonden wij de naaste redenen voor zulk een overhaast vonnis vermeld; doch het ligt genoeg voor de hand, dat de ijverige verdediging en prediking van het geloof den bevorderaars der nieuwe leer een doorn in het oog zal zijn geweest, die zoo spoedig mogelijk moest worden verwijderd.

Door de spanning der gemoederen tusschen de katholieken en de nieuwsgezinden brak den Juni eene religie-oorlog onder de burgers uit, waarbij de katholieken het onderspit moesten delven. De kerken der stad werden geplunderd, de altaren en heelden aan stukken geslagen, de openbare uitoefening van den godsdienst werd verboden.

De bewoners der overige kloosters werden, zooals van Hattum zegt, lang zoo hard niet behandeld als de Dominicanen, aan wie niets was gelaten, en ook niets, zooals dit in vele andere andere steden geschiedde, tot levensonderhoud werd geschonken. Ofschoon de goederen van het Bethleëms-klooster door de stad in bezit werden genomen, werd toch aan de conventualen jaarlijks eene som tot levensonderhoud uitgekeerd. Eerst in het volgende jaar verbood hen de regeering novicen aan te nemen en de renthrieven des kloosters te verkoopen.

Aan de begijnen van het Maath-klooster werd een gedeelte var- het Broeren-klooster ter woon afgestaan. Blijkens eene resolutie van 31 Juli 1580 bood de regeering het overige gedeelte ten huur aan:

„Burgemeesteren, Schepen en Eaedt laeten weten dat alle dieghene soe eenige huisinge, cameren, offte solderen beboerende toe den convente van de Brueren omme te hewoenen offte voer boy koeren ende diergelijken toe gebruiken, begeeren toe pachten, sich

Sluiten