Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het zijne bij te dragen. *) Na dit jaar schijnt zijne werkzaamheid zich meer tot Wijhe en zijnen omtrek te hebben bepaald.

Van Olst in het bijzonder wordt vermeld, dat in 1633 derwaarts eenige tochten ter bediening werden gedaan. Langzamerhand zullen deze in getal zijn toegenomen, zoodat straks toen de pater voortdurend te Wijhe gevestigd bleef, Olst voor goed bij deze statie werd ingelijfd. Moesten we bij benadering den tijd hier van bepalen, dan zouden we geneigd zijn het jaar 1640 te kiezen.

Met kloeken ijver zette pater van Vilsteren zijnen arbeid voort. Ten jare 1653 slaagde hij er in, te Strijtveen, dat in April 1465 reeds als een bisschoppelijk leen wordt vermeld en een half uur beoosten het dorp Wijhe aan den heirweg naar Kaalte ligt, een vast erf te verkrijgen en daarop een eigen huis te bouwen, ’t geen een paar jaren later op 4000 gl. werd geschat. Het lag in het middenpunt der statie. Deze omvatte twee dorpen benevens drie adelijke huizen en strekte vier uren gaans zich uit. Het zielental der Katholieken bedroeg er destijds 1400. Toen de hoogeerw. pater Deekens, provinciaal der Dietsche gewesten in 1656 verslag gaf van den toestand dezer statie, teekende hij Egbert van Vilsteren als een oud man, doch voor zijn leeftijd nog vol van ijver, er bijvoegende dat hij bij het landvolk meer gevierd was dan bij den adel. Tevens vernemen wij, dat de wereldlijke arm, die anders zoo zwaar kon drukken, thans in deze statie zich niet deed gevoelen.

In 1657 moest, wegens beogen ouderdom en om de

') Zie Waldack a. w. bl. 88.

“) Archief v. Utrecht 111 hl. 78/9.

Sluiten