is toegevoegd aan uw favorieten.

Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht; bijdragen, 1892, 1892

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot omstreeks 1693, toen de eerw. J. Staal als pastoor naar Colmscliate werd gezonden. Uit Hengvorden mogen eenigen zich tot den Regulieren Kanunnik hebben gewend, voor het meerendeel moet Olst, naar den wensch der drie edellieden, zich gehouden hebben tot „onzen Pater.”

Dit woord duidde niet meer op voornoemden Zeger van Appeltern. Want na een korten tijd in de oude kerk te Wijhe dienst te hebben gedaan, werd hij om ziekte door zijn Overste naar Nijmegen zijn geboorteplaats geroepen. Nauw was hij hier aangekomen of zijn toestand verergerde zoozeer, dat hij op 10 October 1672 uit het leven werd weggerukt. Naast zijnen vader in het familiegraf vond hij zijn laatste rustplaats.

In zijnen arbeid te Wijhe werd hij opgevolgd eerst voor een korte wijl door den Stichtschen edelman Henricus Dierhout, daarna door pater AAriaan van Heulen, wien Kortrijk op 16 October 1634 had zien geboren worden. Daags voor Sint Michiël van het jaar 1656 was hij in Jezus’ Gezelschap opgenomen, tien jaren later tot priester gewijd en in 1667 naar Etten gezonden, in de baronie van Breda, om er de zorg der zielen op zich te nemen. Na verloop van drie jaren werd hij naar Zutphen geroepen en droeg er den herderstaf, totdat hij in 1673 zijne zending voor Wijhe ontving. Hier mocht hij omstreeks een jaar lang het altaar beklimmen in de oude kerspelkerk, doch zag in Bloeimaand des jaars 1674 voor zich en zijne kudde den toegang er van voor immer versperren.

Met de aftrekkende legers had zoowel de pastoor van ter Heyne als die van Olst deze streken verlaten, zoodat van nu af de gansche zielzorg over de vier bovengenoemde kerspels weer terug viel op pr. van