Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hoofd der ütrechtsche Kerk, en bijgevolg aan het bestuur der stiftschool. Ook onder zijne leiding bloeide zij, hoewel hare vermaardheid, die vooral in Duitschland aan den persoon van Gregorius verbonden was geweest, niet zal zijn toegenomen. Bij Altfried kan men lezen, dat onder dezen kerkvoogd de inrichting gewoonlijk vier leeraren telde, die echter niet gelijktijdig, maar bij afwisseling, ieder drie maanden onderwezen: Bisschep Alberik in de lente, Adalger in den zomer, Ludger in den herfst en Thiatbrat in den winter. Van de priesters Adalger en Thiatbrat is ons niets bekend. Alberik zelf was een vroom bloedverwant en waarschijnlijk ook een leerling van Gregorius. Hij moet een man van meer dan gewone geleerdheid en ontwikkeling geweest zijn, daar zijn Frankische vorst hem als afgevaardigde ter behandeling van Kerk- of Staatszaken naar Italië zond. De vierde leeraar was de H. Ludger. Nadat deze in zijne jeugd eenigen tijd te Utrecht onder de leiding van Gregorius had gestaan, kwam hij als twee-en-twintigjarig jongeling in de wereldberoemde school van Alcuinus te York. Vier jaar en zes maanden dronk hij met volle teugen uit den beker der Angelsaxische beschaving, welke hij zóózeer waardeerde, dat hij zijn leven in de waagschaal wilde stellen, om aan haar zooveel mogelijk zijn dorst naar wetenschap te lesschen. Naar Utrecht teruggekeerd werd hem na eenigen tijd door Alberik de kerk van Dokkum ter bestiering aangewezen. Toen men evenwel den man, die, volgens Altfried, in kloosterlijke geleerdheid zoo uitmuntend was, voor de school van Utrecht

‘) Acta S.S. ad d. 26 Martii. Carmen, p. 644.

U Acta S.S. 26 Martii p. 644.

Sluiten