Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Willebrord en zijne gezellen waren zonder twijfel monniken en meerendeels van de orde des H. Benedictus. Omtrent hunne opvolgers echter zijn de gevoelens verdeeld. Mabillon 1) beweert, dat de ütrechtsche kanunniken Benedictijnen waren of ten minste naar den regel van Benedictus leefden, en hij tracht zijne stelling hierdoor te bewijzen, dat tijdgenooten de Ütrechtsche kanunniken met den naam van monnik en hunne verblijven met dien van klooster (monasterium) bestempelen. Tegen hem over staat Heda , die met den grootsten nadruk staande houdt, dat het ütrechtsch kapittel dier dagen geenszins uit monniken bestond, wijl alle kanunniken van Duitschland en Gallië den regel van Augustinus en Isidorus volgden.

Daar nu Mabillon noch Heda zijne stelling met strikte bewijzen staaft, en ook het feit, dat Ludger nimmer kloostergeloften heeft afgelegd dat Gregorius tot het einde zijns levens „Abt van Utrecht” werd genoemd, niet doorslaand is, blijft de zaak in het duister.

Doch zou het niet waarschijnlijk wezen, dat de Kapittels van St. Salvator en St. Maarten in de eerste tijden de levenswijze hunner vaderen eerbiedigden, en zonder in den vollen zin des woords Benedictijner-monniken te zijn, zoo goed mogelijk den regel der beroemde orde onderhielden?

Wijl de H. Frederik in de stiftschool werd opgevoed en zoowel met de leeraren als met bisschop Rixfried in de nauwste betrekking stond, kunnen wij ons hier

*) Migne, P. L. Tom. 99. col. 751; vergl. col. 748.

*) Hist. Episc. Ultraject. p, 26.

’) Migne, P. L. Tom. 99. col. 783.

Sluiten