is toegevoegd aan uw favorieten.

Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht; bijdragen, 1893, 1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Toormaligen pastoor, en van zijn waardigen evenknie Oege Janckez., weleer vicaris van Tersool, hadden de zes dorpen van Rauwerderhem meer dan eenig andere streek van Friesland het geluk een aanzienlijk getal Katholieken te bezitten, in wier verzorging een afzonderlijk priester arbeids genoeg en ook voldoend levensonderhoud kon vinden. Daarom werd Idaarderadeel met het aangrenzend TJtingeradeel aan de hoede van een ander toevertrouwd en heer Solstra enkel met de zielzorg van Rauwerderhem belast.

Deze laatste met recht beducht voor den grietman Tjaling van Eysinga, die nog onlangs heer Tadema zaliger gevangen had genomen, vestigde zich bezuiden Wytgaard in het Noordend, eene buurt van het kerspel Wirdum in Leeuwarderadeel, grenzende aan Rauwerderhem. Daar stond (1654—65) als grietman Douwe van Aylva, die den Katholieken zeer genegen was en zoo grooten invloed had op het bestuur, dat Jo'' H. Baerdt van Sminia {Nieuwe Naamlijst van bl. 31) hem „bijna opperregent” van Friesland noemt. Dubbelen dank zijn de Katholieken hem schuldig, omdat hij niet alleen den grijzen pater J. Kegelaer zijne bediening in Wytgaard ongestoord liet vervullen, maar ook gedoogde dat de priester, die in Rauwerderhem niet veilig was, in het Noordend onder zijne hoede kwam schuilen. Daar was op de hoeve van Jancke Inses voor heer Solstra en zijne moeder een enkel vertrek afgezonderd, boven hetwelk men gelegenheid vond het altaar op te slaan en eene slaapplaats voor zijn eerw. in te richten. Vond deze zijne huisvesting bij de kudde van pater Regelaar, hij hoedde zich voor onderkruiping van dezen grijzen herder, die een vroom priester was, eenvoudig en rechtschapen als de man Job weleer.