is toegevoegd aan uw favorieten.

Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht; bijdragen, 1893, 1893

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wist, steeds als een Engel des Heeren werd ontvangen. Daar genoot hij de welwillende oogluiking van Karei E-oorda, 1635—70 grietman van Idaarderadeel, die de staatkundige richting van Jan de Witt volgde en door zijne medestanders wordt geprezen als „decus illud patriae nostrae.” Den Katholieken genegen, wendde de rechtschapen man zijn machtigen invloed aan, om den druk der plakaten, waar hij kon, voor hen te verlichten.

De jeugdige priester gebruikte deze gunstige gelegenheid , om met allen ijver zich te wijden aan de verzorging zijner kudde. De vruchten van zijn arbeid waren recht gezegend. Dit had ten gevolge dat in 1657, toen heer Solstra naar Sneek werd geroepen, de gesplitste kudde van wijlen heer Tadema weer samengevoegd werd onder de zorgvolle hoede van den jeugdigen Gaytzema. De verdubbeling van den last werd hem spoedig verzoet door een gelukkige wending van zaken in Rauwerderhem. Daar namelijk was de grietenij onder het bestuur gekomen van Frans van Eysinga Edoz., die zich den Katholieken zeer genegen betoonde. Dit is allicht te danken aan den invloed zijner Katholieke gade Aaltje (Aldegondis), door Tjalling v. Eysinga op Heringa-state in echt gewonnen bij Eets Hiddema. Ook aan haren invloed schrijven we het vooral toe, dat pastoor Gaytzema omstreeks 1659 zijne huisvesting naar Irnsum overbracht. Wel werd hij nu in Idaarderadeel door den heer grietman niet bemoeilijkt, maar de dienders van Leeuwarden, 't geen slechts anderhalf uur verwijderd ligt, kwamen dikwijls herwaarts en spanden strikken om den „paap” te vangen. Soms gingen ze als visschers vermomd en loerden alles af; soms liep een hunner met een Lazarus-nap huis voor huis rondbedelen,