Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

J. B. Gramay, die hem naar Brabant overvoerde en het dierbaar kleinood aldus aan de vernielzucht der Calvinisten Wanneer de reliquieën uit Brabant zijn teruggekeerd, is mij niet bekend. Zeker is het, dat zij zich in Februari 1719 te Leiden in de Jansenistenkerk bevonden, en den 14'*®“ dierzelfde maand op een tafel hij het sterfbed van v. Heussen werden geplaatst, nadat zij eerst nog in 1673 in de handen der Franschen waren overgegaan Helaas, ook heden nog is de kostbare reliek in de pastorie der Jansenisten te Leiden. In 1879 heeft Dr. J. D. Frenay de heiligdommen bezocht, hetgeen hij aldus verhaalt: „Er werden mij onderscheidene gedeelten van de schedels van de H.H. Fredericus en Odulphus welwillend vertoond. Ik heb daar ook gezien het zilveren gemijterd hoofd, waarin de schedel van den H. Fredericus besloten is geweest en op welks onderste sluitplaat ik ook gelezen heb, hetgeen er reeds door v. d. Lappen v. Waveren in 1644 op gelezen is: Anno Domini MOCOLXII. Decanus et Capitulum S. Salvator. Trajectens. me extumba, pro tune innovata extrahi, et fieri fecerunt per Elyam Scerpswert, aurifahrum. Het zilveren hoofd van den H. Odulphus is, jammer genoeg, daar niet meer aanwezig. In was het er nog; want op een reepje hij de overblijfselen van diens schedel staat geschreven: Anno Domini millesimo septiugentesimo septuagesimo sexto Ego infra scriptus bas reliquias S. Odulfi, Canonici Ecclesiae ültajectensis argenteo capiti extraxi et hocce in vasculum posui

‘) Zie het Latijnsche stuk in Bijlage VIII.

-) Bijdragen voor de geschiedenis van het bisdom Haarlem, VIII. hl. 72. Archief van het Aartsbisd. Utrecht, VJII. hl. 455.

Sluiten