Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

hemelschen glans en hielden den herdersstaf in hunne handen. De H. Frederik stiet den dronkaard wakker met zijn staf en zeide: „Waarom ligt gij op deze heilige plaats te slapen? Hoe durft gij de misgewaden over uwe legerstede spreiden, en onze graven bezoedelen? Werp uw hed naar buiten en reinig deze plaats. Geef den Heiligen het geroofde goed terug, delg uwe misdaden uit door een oprecht berouw en keer weder tot den Heer uw God, dien gij zoo schandelijk verlaten hebt. Veracht gij mijne woorden, dan zult gij sterven en neerdalen in den akeligen kerker, waar weenen heerscht en knarsetanden”.

Op het hooren dier stem en het zien der groote helderheid vreesde de godvergeten man uitermate. Toch duurde de schrik niet lang, want met de verschijning verdween ook zijne vreeze, wijl hij zich diets maakte, een droombeeld gezien te hebben '). Toen hij den volgenden morgen was opgestaan, verhaalde hij op de vraag des kosters of hem niemand verschenen was, dat hij dien nacht drie engelen had gezien, die hem streng verboden hadden, om nog langer in het godshuis te slapen. Doch hij verzekerde niet te weten of

den beroemden vriend van Karei den Groeten. Vgl. hierover Moll I 262. Bat. Sac. p. 109, Buchelius in Bekam p. 28; zie het «praeceptum immunitatis Lotharii Imperatoris» hij Heda 1. c. p. 52, 53. De echtheid van dit diploma wordt door sommigen betwijfeld, maar zonder grond. Arend I. hl. 404, 405. Ludger was een Fries van geboorte en stamde uit het vermaarde geslacht der Adelen, was bijgevolg vermaagschapt aan onzen hisschop Frederik. De Bat. Sacr. (p. 111) verwart hem met Ludger, hisschop van Munster, wat door v. Rijn noch verbeterd noch aangewezen werd. Schotanus Fr. Hist. hl. 68. Foeke Sjoerds Fr. Jaarh. 11. hl. 45. Arend I. 405.

') «hoe phantasmati deputavit» Acta SS. 1. c. p. 470.

Sluiten