Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Nadat de H. Frederik deze woorden gezegd had, verdwenen zij en verschenen verder niet naeer. Toch konden vreeze en schrik voor zulke verschijning den hoezen wachter niet tot hetere gedachten brengen; zij verhardden zijn misdadig hart, omdat de duivel daarin zijn woonplaats had opgeslagen. Dan, de vermaningen in den wind slaande hegaf hij zich opnieuw ter ruste, om zijn roes uit te slapen. Toen de dag was aangebroken, ging de snoodaard naar den koster, maakte hem met de verschijning en de namen der Heiligen bekend, maar verzweeg de heiligschennis, zooals te voren. Deze was ten zeerste verwonderd en zeide: „Wacht u, eene hooze daad, tegen Gods heiligen gepleegd, in uw hart te verbergen. Indien gij in waarheid .aldus gesteld waart, als gij u uiterlijk vertoont, dan zouden zij u niet zoo streng berispt, niet geboden hebben uw bed naar buiten te werpen. Maar ik weet niet, of gij waarheid spreekt. Opdat echter niemand kunne zeggen, dat gij door mijne schuld zijt omgekomen, volbreng al wat u geboden is, plaats uwe legerstede voor de deur des tempels, totdat de bisschep zelf over deze zaak beslist. Maar ook dit hevel verachtte de ongelukkige. Nog denzelfden dag zijne hartstochten den vrijen teugel latend, keerde hij niet vóór het eerste haangekraai naar de kapel van St. Jan den Evangelist terug en viel nog meer beschonken dan gewoonlijk op zijn rustbed neder.

Wat er dien nacht met hem gebeurde, is nooit bekend geworden. Toen evenwel den anderen morgen niemand voor de getijden luidde, kwamen de broeders naar de St. Jans-Kapel en lichtten de kleine deur uit de hengsels, om den wachter uit zijn slaap te wekken. Mijn God, wat een vreeselijk schouwspel! De ellendige lag brandend op den grond, zijn bed was reeds door

Sluiten