Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ijzeren Eeuw.” Wel verrees in Duitschland met Otto I, die de taak van Karei den Grooten wederom scheen op te nemen, het koningschap in zijn vollen luisteren onweerstaanbare kracht; doch onze Heilige mocht dien schoenen dageraad, voorbode van een nog schoonoren dag, niet aanschouwen. In de zetelstad zijner dioecese huisde de woeste Deen, en dwong hem elders een schuilplaats te zoeken. Onder de overheersching dier afgodendienaars ontkiemde en groeide het in onzen bodem nog sluimerende zaad des heidendoms opnieuw, wijl de bisschep en zijne medearbeiders gestadig bemoeilijkt werden. Ware Kadboud niet een der moedigste kerkvoogden geweest, waarop de stoel van Utrecht ooit kon roemen, nimmer had hij de voege Kerk van Nederland staande gehouden tijdens het vernielende sloopingswerk der Noorsche benden. Met het volste recht dan mogen we Utrecht prijzen met de woorden, die de H. Radboud aan Tours toezong om haar St. Maarten : „driewerf gelukkig de plaats, die zulke parel bezit, en prijzenswaardig de stad, die zulk een schat bewaart”.')

Aan Radboud, den grooten bisschep en grooten Heilige, wiens beeltenis door den loop der eeuwen in veler gemoed schijnt uitgewischt, zijn deze bladzijden gewijd. Moge de lezer door het voorbeeld en de verdiensten des Heiligen het aardsche loeren verachten en zich meer en meer in het bezit der hemelsche goederen verheugen. Hebben onze zwakke pogingen hiertoe iets bijgedragen, dan achten wij onze moeite ruimschoots beloond.

‘) In Translat. St. Mart. noctum. 11. Archief van Kist en Moll, 111, bl. 217.

Archiep XXI.

16

Sluiten