is toegevoegd aan uw favorieten.

Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht; bijdragen, 1894Een En Twintigste Deel, 1894

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

die sedert door de gunst der vorsten gedurig vermeerderd werden. ')

De H. Eadboud kende de ure zijns doods lang te voren. Wat wonder, dat hij zijn Heer te gemoet ging de lendenen omgord, een brandende fakkel in de hand. Hij waakte voordurend, om zijn Meester, wanneer deze terugkeerde van de bruiloft, aanstonds de deur te openen. Des te ijveriger was hij in de verzorging van ’sHeeren huisgezin, naarmate de tijd naderde, waarop hij rekenschap moest afleggen. De dood had niets bitters voor hèm, wiens sterven gewin, wiens leven Christus was. Hij spoorde de zijnen aan tot vrede, eensgezindheid en werkdadige liefde. Hij zelf trachtte, voor zoover zulks de menschelijke zwakheid gedoogt, arm van geest, rijk aan verdiensten, onthecht aan het aardsche, gemeenzaam met het hemelsche te zijn; zorg dragend, om door vasten en bidden, door waken en aalmoezen een zaligen dood te verwerven.

lemand, die Onzen Heer Jezus Christus met zulk een ijver diende, moest wel dierbaar aan Maria wezen. Een heerlijk bewijs hiervoor heeft de H. Radboud zelf aan eenigen zijner vertrouwdste vrienden verhaald, van wie de levensbeschrijver het getrouwelijk overnam. Eens lag Eadboud ernstig ziek op zijne legerstede en had alle hoop op levensbehoud laten varen. Zie, daar

*) Zie de stukken bij Heda, Historia Episc. Traject, p. 15—88

‘‘) De vita zegt: «cum aliquando graviter decumberet.» Migne I. c. col. 545.

Beka 1. c.: «apud Trentam valida pulsatus aegritudine decubuit» etc. Heda, 1. c.: «Huic in Twentonia (Twenthe) extrema valitudine laboranti apparuit» etc. De plaatsbepaling moet Beka uit oude, thans verloren geschriften, hebben geput. De vita heeft daarvan niets.