Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ÜLTRAIEOTENSIS NEONON BENEDICTAE EORÜM FILIAE PEIMAEQUE ABBATISSAE DEVOTA ET GRATA POSTERITAS EX VETERI AD HANG FORMAM REDIGI CÜRAVIT 1739 RENOVATUM CÜM PAVIMENTO ECCLESIAE 1787.

Dat is; „Aan Giod den Allerlioogste en ter vrome herinnering aan de zalige *) Hilsondis, gravin van Stryen en Huy, milddadige stichteres van dit Collegie, met raad en toestemming van haar echtgenoot den Zaligen Ansfried, graaf van Teisterbandt en later bisschep van Utrecht, alsook van Benedicta hun dochter en eerste abdis, heeft de vrome en dankbare nakomelingschap dezen steen naar den ouden vorm in dezen doen brengen 1739. Vernieuwd met het plaveisel der kerk 1787.”

Lag nu Hereswit onder dien steen begraven? Vele jaren verkeerde men hieromtrent in twijfel, totdat de ijverige pastoor van Thorn, op aanwijzing des Heeren A. J. Flament, Rijksarchivaris in Limburg, den 21 Nov. 1893, een onderzoek instelde op het priesterkoor onder vermelden grafsteen. Nadat men tot twee meter diepte had gegraven, „stiet men op een looden kistje met deksel, welk laatste aan weerszijden van zijn langsten

D Vergel. bovenvermeld artikel van A. J. Flament in de Puhlications bl. 76. Zijn verklaring van D: voor Divus komt ons waarschijnlijk voor, wijl men te Thorn Hereswit niet minder dan Ansfried «heilig» noemde, en D: voor Dominus een niet gewone afkorting is; maar vooral wijl bier Dominus en Domina zeer vreemd zouden klinken.

Sluiten