Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IV.

Boudewijn I, bisschop van Utrecht, naar men verhaalt, een spruit uit het geslacht der graven van Holland, overleed omstreeks den aanvang des jaars 995, na een bestuur van vier jaren. Wij hebben elders *) verhaald, door wat schrikkelijke rampen het Sticht in die dagen werd geteisterd. Er was een vaste hand van noode, om het geleden verlies te herstellen en de nog dreigende gevaren af te weren. Otto IXI, wien het zeker niet onverschillig kon wezen, wie het bisdom en grondgebied van Utrecht, dat gestadig door den Noorman bestookt werd, regeerde, ging te rade hij den hoogst verstandigen en geleerden Notker van Luik. Deze heeft gewis terstond aan zijn heiligen vriend, den doorluchtigen graaf Ansfried gedacht; althans hij stelde hem den keizer voor als den man, die het meest geschikt bleek voor den stoel van Utrecht. Op zulke aanbeveling koos hem Otto 111 zonder ruggespraak met het kapittel van Utrecht, tot bisschop dier kerk. Ansfried verzette zich en smeekte de H. Maagd Maria, dat zijne verheffing, zoo zij geschieden moest, zou plaats hebben volgens de bepalingen van het kerkelijk recht

In de eerste tijden der Kerk, zoo verhalen de Handelingen der Apostelen en de H. Clemens van Eome

1) Archief voor de Gesch. van het Aartsbisd. Utrecht, XX Deel, bl. 313 SS.

2) Thietmar, Chron. Pertz, Won. Germ. Script. 111, p. 778; Migne, Tom. 139, col. 1261; «Mundi dominam exoravit, ut, si esset a Deo, canonice perficeretur.»

3) Act. XIV, 22.

*) Clem. Rom. I epist. ad Cor. cap. 44.

Sluiten