Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kwaads in het schild voeren. Voor dien dag werd hun vrije doortocht verleend. Maar nauwelijks hadden zij den volgenden dag de vloot in beweging gezet en de eerste schepen den Eijn ingestuurd, of de onzen vallen de achterhoede aan en dagen hen onder luid geschreeuw ten strijde. Op dit gerucht snelt de bemanning der eerste draken toe, stelt zich gewapend langs den oever en jaagt den onzen zulk een schrik op het lijf, dat zij geen schrede durven naderen. Intusschen valt de nacht, waarin de onzen oversteken naar de andere zijde der rivier. Des morgens vroeg verspreidt zich het valsche gerucht, dat onze ruiters zijn slaags geweest met den Noor en hem eenige schepen hebben ontroofd, en nu zeilt onze kleine vloot in aller ijl op den vijand los. Geroep en getier vervult de lucht. Er is aanvoerder noch slagorde, en elk vaartuig wil het eerst den gehaten Noorman bereiken. Maar zij hadden zich misrekend; in gesloten orde komt hun de vijand te gemoet. Wanneer de onzen dat zien, verlaten zij de schepen, en vluchten in volslagen verwarring heen. De Noorman zet hen achterna en slaat al, wat hij inhaalt, neer

De bewoners van Utrecht vernemen den aantocht der barbaren met schrik en angst; en steken de haven in brand, opdat zij den vijand niet van dienst zij in het belegeren der veste. De Nooren bejammeren de aangerichte schade, „daar zij niet voornemens waren der stad eenig leed te doen, omdat zij bestuurd werd door een zoo heilig man als bisschop Ansfried."

Zij vragen toegang tot de vesting, om hun godsvrucht te voldoen en de kerken met hun offergaven te vereeren.

') Alpertus, De Diversitate Temp. lib. I, o. 9; Pertz, IV, p. 705.

Sluiten