Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de wonden sijner ondersaeten wenschte te geneezen”! Doch het bleef hij lieve woordekens en komplimenten. „Het voordeel van deesen aenspraeck sal uyt d’effecten afgenomen moeten worden”, zoo schreef Neerkassei zelf, sceptisch en voorzichtig genoeg. Die „effecten” zijn evenwel nimmer gevolgd; althans onze beide afgevaardigden kunnen er geenszins op bogen.

Met hoeveel ijver en nauwgezetheid Neerkassei zich van zijne zending kweet, met welk een aandrang hij den Franschen overwinnaar tot medelijden jegens onze uitgemergelde gewesten poogde te stemmen, hoe eendrachtig hij met van Maarsenbroek te dien einde samenwerkte, behoeft hier niet uitdrukkelijk verhaald te worden; in de thans volgende bijlagen deelen beiden het met hun eigen woorden mede. Op stuk van zaken blijkt toch, gelijk wij reeds vroeger schreven, nergens uit, dat Neerkassei van deze loffelijke zending eenig resultaat heeft teruggebracht.

Dat hij voor zijne moeite en reiskosten eenige vergoeding van de Staten ontving, is waarschijnlijk, maar niet zeker te bepalen, zooals met van Maarsenbroek het geval is. Deze toch kreeg voor zijn „tractement ofte daghgelt” tien gulden daags, al den tijd dat zijne zending duurde, terwijl zijn reis- en verblijfkosten voor rekening der Staten bleven. Daarbij kwam dan natuurlijk nog de noodige handzalf, die wel niet zuinig bij de Fransche hovelingen zal aangewend zijn. Intusschen, Neerkassei moge wenig of geen feitelijk succes hebben gehad bij zijne zending, deze blijft toch altijd een merkwaardig voorval in onze kerkgeschiedenis, een voor de kennis dier tijden belangrijk unicum, dat wèl verdient afzonderlijk en zoo volledig mogelijk te worden toegelicht. Dr. G. Brom.

Sluiten