Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zocht hulp bij de keurvorsten-aartsbisschoppen van Mentz en Trier; den 9™ October 1544, na herhaalde waarschuwing, kwam het eindelijk zoover, dat de in Keulen aanwezige domheeren, met de afgevaardigden der lagere geestelijkheid en der universiteit, gezamenlijk appèl aanteekenden tegen de ingevoerde nieuwigheden. Met andere woorden, zij verklaarden zich voorloopig onttrokken aan het gezag van den aartsbisschop, tegen wien zij zich beriepen op paus Paul 111 en op keizer Karei V als den „Schützer der heiligen Eeligion und Kirche” ').

Om nu aan hun appèl nog meer beteekenis bij te zetten, trachtten zij de adhaesie te verkrijgen van al de Buffragaan-bisdommen. Als uit een mond moest geheel de Keulsche kerkprovincie verklaren, dat zij van de nieuwe leer niets wilde weten, maar ongehinderd wenschte te blijven bij het oude, roomsche geloof.

Hoe was nu in deze benarde verwikkeling de houding der vijf suffragaan-bisdommen van Keulen? Hoe was met name de houding van het bisdom Utrecht?

Gelijk uit Bijlage I blijkt, werd reeds vijf dagen, nadat het appèl was aangeteekend, den 14™ October 1544, 6en schrijven gericht aan het Utrechtsche domkapittel, om deszelfs adhaesie te erlangen. Het „instrumentum appellationis” was daarbij ingesloten. De Utrechtenaars konden dat protocol woordelijk overnemen. Zij behoefden slechts in hun eigen naam volmacht te geven

‘) Varrentrapp S. 234.

Sluiten