Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stad Utrectt hem bijstond, weinig vrucht te hebben gedragen. Want onder zijn opvolger in den herfst des jaars 1593 luidt het, dat er „eenige reysen ’t Avont„mael is gehouden, met omtrent 8 ofte 9 ingeseten „ende .... (nu ja!) verscheyden vreemde schippers met „haere familien.” ') Doch als we de teedere moederzorg der stad Utrecht gedenken, die vroeger een predikant met zijne hoorders op hare kosten herwaarts zond, dan valt het licht te bevroeden, hoe die vreemde schippers hier kwamen om hun „Avontmael” te houden. Ons oordeel zal wel niet falen als we meenen, dat de „gezegende Hervorming” in spijt der troetelende gunst, door de stad Utrecht verleend, noch in den geest, noch in het hart der ingeboren Vreeswijkers zich eene plaats had weten te veroveren.

2. De volgende predikant is Cornelis van Braeciel, niet door de stad, maar door de Staten des lands van Utrecht gezonden op zijn minst in 1593, omdat hij bij „de Visitatie der kercken ten platten lande in ’t Sticht,” in evengenoemd jaar gehouden, alhier in dienst werd bevonden. Het verslag dezer „visitatie” zegt ons: „Diegene „die (hier te Vreeswijk) secretaris ende coster is, he„dient ook de schooien, qualijck compatyhel zijnde, „ende ontfangt alle maenden 48 st., behalve de vrije „woninge. Hij is (den) predicant zeer wederhoorich.” Nog luidt het daar: „De kercke is verhrant ende men „behelpt hem met de Speuye-hoven tot zeer groot

') Histor. Genoots., Bijdragen en Mededeelingen, VII bl. 210.

2) Dit zal wel doelen op den bovenbouw der buitensluis. In het Kabinet van Nederl. en Kleefsche Oudheden, d. VII zijn onder n» 257 en 258 ons twee plaatjes hiervan gegeven, beide in het koper gegroefd door de hand van Abr. Rademaker, beide met het jaartal 1620.

Sluiten