Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jacoh Pieck, zijn opvolger, geboren te Utrecht, werwaarts zijn vader de Brielenaar Jan Heymansz. Pieck was uitgeweken, is vermoedelijk een bloedverwant van den H. Nicolaus Pieck den prins der Martelaren van Gorcum. Hij boorde zijne theologie te Keulen, won er den doctors hoed en vestigde na de priesterwijding zich in zijne geboortestad. Van daaruit zorgde hij met eenige medehelpers zeven jaren lang voor de Katholieken van IJsselstein en omstreken, werd daarna pastoor te Raamburg benoorden Tergouw en eindelijk in 1655 kanunnik te Bonn, alwaar hij overleed.

Hem volgde Henricus van der Steen, geboren te Utrecht, licentiaat in de beide rechten, ook erkend als advocaat voor den Hove Provinciaal. Straks tot priester gewijd werd hij omstreeks 1629 aangesteld tot pastoor van St Geerte in zijne vaderstad, en placht mede uit te loopen naar Vianen, om de Katholieken van dat kerspel zijne hulp te leenen; van 1632—1634 droeg hij ook de zielzorg over die van IJsselstein en den omtrek. In November 1633 was hij door den apostel, vicaris Philips van Rooveen beschreven in den nieuw opgerichten Raad van het Vicariaat te Utrecht en kwam te sterven op 30 Augustus 1638.

Zijn opvolger Cornelis van der Hout, geboren te Utrecht, studeerde in het seminarie te Keulen, werd daar repetitor philosophiae en won er den lauwer van hachelier in de godgeleerdheid. Omstreeks 1634 kwam hij als pastoor naar IJsselstein en besloot zich daar ter stede te vestigen. Hij bleek er te zijn „een man van studie, conragie en groote ijver, dag en nacht in den wijngaard des Heeren werkende.” Uit het oudste doopboek, van hem nog overig, aan vangende met 9 Januari 1640, blijkt dat hij kinderen doopte in Jutphaes,

Sluiten