Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was in 1655, voor een wijle althans, een Katholiek priester gevestigd geweest *); hier ook schreef Dr Mensinck den later te bespreken brief, waarin hij als pastoor van Jutphaas zich laat gelden. Een vast kerkgebouw evenwel heeft de nieuwe pastoor daar niet aangetroffen. Hij ging rond om nu bij dezen, dan bij genen in stille verborgenheid de H. Geheimen met de zijnen te vieren, daar vooral waar het minste gevaar dreigde van den Galvinistischen vervolger, allicht het meest op de burchten der vele Katholieke edelen. Doch ’t zou kunnen zijn, dat van Juli 1672 tot Sept. 1673, toen de Franschen hier in het Sticht den haas speelden, de pastoor van Jutphaas met de zijnen de H. Geheimen weer gevierd heeft in de oude Sint-Nicolaas-kerk aldaar.

Maar straks moesten herder en kudde den droeven neerslag hiervan ondervinden. Het immer zoo bittere Calvinisme, dat zich nu getergd achtte, verdubbelde de hevigheid waarmede het steeds de Katholieken had verdrukt. Dit gevoegd hij de vlijmende naweeën van den krijg, bij de uitputting welke het gevolg was van de wreede uitzuiging der Franschen, bij de armoede veroorzaakt hier door het vloedwater, ginds door de muizenplaag, had ten gevolge dat de toestand der Roomschen op vele plaatsen in ons vaderland zeer veel geleek op dien van den groeten lijder in het land Hus. Hoezeer Jutphaas er onder gedrukt ging, blijkt uit het bericht van den apostolischen vicaris J. van Neercassel, die in het voorjaar van 1674 ons betuigt, dat Dr Mensinck zijne plaats had in de hreede schaar van geestelijken, die op zijn minst tot nijpende armoede

‘) Archief, X, 187.

Sluiten