Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een dissonant vormen; hij had hierin iets gemeen met Fénélon den hekenden bisschep van Kamerijk. Maar als ge staat aan ’t einde van hun leven en den blik laat gaan over het geheel, is dan de slot-indruk ongunstig? Dit is hier de vraag. Er zijn kenners, deugdelijke kenners, die haar beantwoorden in gunstigen zin. Sla den Godsdienstvriend open, deel 4Ü hl. 37 vv. Daar is een man aan het woord, die in dit Archief (XVIII. 427) ons geteekend werd als zeer geloofwaardig; een man die heel het vicariaat van Neercassel mee had doorleefd; een man voor wien men wel sommige dingen onder den sluier hield, doch zonder te kunnen verhinderen, dat het scherpe oog door den sluier heenzag; een man die niet de opgaande zon heeft aanbeden, evenmin door hare stralen is gekoesterd; ’t is Arnoud Waeyer, pastoor „in de Spieghel” te Zwolle, gunstig bekend bij allen, die van de herleving der Katholieke kerk in ons vaderland iets weten. Lees zijn „Verhael wegens het afsterven van den Hooghweerdigen heer, den Bisschep van Oastorien, te Swolle den 27 Mei 1686 (o. st.)” Ge ziet er den grijzen Kerkvorst tot het uiterste einde zijns levens rusteloos werken en zwoegen in den dienst zijns Heeren en te „Swolle ontslapen, den slaap der Eechtveerdigen. ’ Doch hooren we liever den gewezen provicaris Theodorns de Cock, als getuige hier wel de deugdelijkste van allen. In zijn werk „Be Peiro Codde’' onder de oogen van Moeder te Rome geschreven, toen hij daar rustig stond buiten het gewoel van den strijd, legt hij (blz. 3—4) het volgende getuigenis af:

Volvente anno aerae Christianae 1686, postridie nonas Junii, munus pariter ac vitam exuit insignis antistes Joannes Neercassel, Castoriensis episcopus,

Sluiten