Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

leiden, zoodat hij dan ook in de praktijk algemeen als geldig werd aangenomen *) Voor de reguliere geestelijken nochtans werd geen uitdrukkelijke titulus vereischt; want hun kloosterlijke professie zelve was reeds voldoende wijdingstitel („titulus paupertatis”). Immers het klooster of de orde, waartoe zij behoorden, had de verplichting voor hun onderhoud zorg te dragen. *) Begrijpelijkerwijze moesten de candidaten van hun wijdingstitel afdoende bewijzen overleggen. Wie op titel van een beneficie verlangde gewijd te worden en dit was bijna doorgaans het geval moest inzage geven van de ofiiciëele aktestukken, waaruit blijken kon, dat tij tot zijn kerkambt door den patroon gepresenteerd, door den wettigen gever gëinstitueerd en naar den eisch behoorlijk gëinstalleerd was (Vgl. Bijl. I—II). Werd zijn beneficie niet geheel voldoende geacht, dan werd hij alleen tot de eerste wijding „per dumtaxat” toegelaten, een twijfelachtig punt soms, waarover onder de betrokken personen kwestie ontstaan kon (Bijl. VII). Wie „titulo patrimonii” de wijding begeerde, moest het notarieele document overleggen, ten bewijze, dat hem uit vaste goederen een geregeld jaargeld was verzekerd (Bijl. VI). Zulk een erfgoed moest volgens bepaling van bisschep Gleorge van Egmondt minstens twintig gulden jaarlijks afwerpen In Bijl. VI wordt een jaargeld van 24 Oarolus-gulden vastgesteld. Behoorde de wijdeling tot een vreemd dioecees, dan moest hij een „demissoriaalbrief” van zijn eigen bisschep hebben (Bijl. lil). Wenschte hij tot een hoogere Orde op te

‘) Vgl. Decret. Greg. lib. 111. Tit. V. capp. 4 en 23.

Vgl. can. VI. van het Concilie van Chalcedon, aangehaald Deer. prima par.s Dist. LXX, can. I.

3) Mattheus Manuductio ad jus canon. p. 43 seq.

Sluiten