Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De dagen, waarop de hoogere wijdingen mochten geschieden, zijn van oudsher door het kanonieke recht uitdrukkelijk bepaald. ') Het zijn de vier Quatertemperdagen, namelijk de eerste Zaterdag in de Vasten („Sabbatho post Oineris”), de Zaterdagen vóór Drievuldigheidszondag („Sabbatho post Penthecostes'’), vóór den vierden Zondag in September („Sabbatho postCrucis”) of na Kruisverheffing, en vóór Kerstmis („Sabbatho post Lucie”), alsmede de Zaterdagen vóór Passiezondag („Sabbatho post Letare”) en vóór Paschen („Sabbatho pascali”). Volgens bepaling van het Concilie van Trente behooren tegenwoordig nog dezelfde wijdingsdagen te worden in achtgenomen. Wie zonder pauselijk verlof op een anderen dag de h. wijding ontvangen had , beliep de suspensie van zijn pas ontvangen Ordo; zoó streng was op dit punt het kerkelijk voorschrift.

Tijdens de jaren van ons register hadden de wijdingen dan ook geregeld zesmaal jaarlijks plaats, op de hiertoe vastgestelde dagen en geen andere. Van dien regel werd niet afgeweken, zoover wij kunnen nagaan. Slechts één enkele uitzondering blijkt, maar niet dan met pauselijke dispensatie vond zij ingang. In de naamlijst der diakens vonden wij namelijk de volgende aanteekening; „Anno 1506 ordinatus dyaconus in festo Palmarum privilegio speciali Koraani Pontificis Galiënus Qallico de Fresia.”

Opmerking verdient hier nog de omstandigheid, dat op Paaschzaterdag de candidaten voor het Priesterschap doorgaans het hoogste cijfer bereikten, waarvan

') Deer. prima pars Dist. LXXV. can. 7; Deer. Greg. lib. I. Tit. XI. cap. 3.

2) Sessio XXIII. cap. 8.

Decret. Greg. 1.1. cap. 7.

Sluiten