Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wanneer men in de volgende bladzijden de Mariëiiweerdsche goederen door Oranje, door zijn broeder, den stadhouder van Q-elderland, en door de Geldersche Staten ziet beschermd worden, dan denke men niet op de eerste plaats aan eene weldaad , der abdij of den religieuzen bewezen.

Zoo kon men het misschien nog beschouwen, toen de stadhouder flierges en ook de Geldersche Staten zelf nog konings- en katholiekgezind waren. Maar thans, nu Jan van Nassau, des Zwijgers broeder, tot stadhouder was aangenomen en na hem des Zwijgers zwager, graaf Willem van den Berg, nu men de Geldersche Raden ging veranderen naar den zin van Oranje en der Staatschen en de magistraat der Geldersche steden eveneens in dien geest werd omgekneed, thans zou in Gelderland, zoodra het gevoegelijk kon geschieden, hetzelfde spelletje met de geestelijke goederen beginnen, hetwelk in Holland en Zeeland werd gespeeld. Wat men zelf niet nam, zou men doen strekken tot onderhoud van Calvinistische predikanten en schoolmeesters. Men beschermde gaarne de goederen, die men weldra hoopte in te palmen.

Of de coadjutor, Frederik van Winssen, met wien de zaken, zooals men zal zien, voornamelijk verhandeld werden, niet op bedekte wijze (openlijk kon hij het natuurlijk niet) den prelaat en de goede partij der conventualen weerstreefde en met de andere partij heulde, daaromtrent moge de lezer zelf later oordeelen.

Bij de twee laatste nummers onzer bijdragen (95 en 96) waren we tot de jaren 1579 en 1580 gevorderd. Thans moeten we, wegens later gevonden stukken, tot 1578 terugkeeren.

In het Rijksarchief te Arnhem berust zeker Register

Sluiten