Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

seegh dat dyt spoel een eyndt neem. Myddelertijt is Nuynem tho sijnen heym getogen, soe hij hoorden dat sijn brueder, der hooffcneister, in den Heer verstorven was, und is nu weder bij mij, und soe ick Bocholtz raetpleechden in mijn solliciteren, heb ick daer niet wijders van gesproken, und sol oick mijs beduDckens verloren moeten hebben geweest, naedem sijner L. die bowerije op den Voldener (?) weder op laeten tymmeren, datter er noch in twe jaren niet overgescbieten en kan; edoch uwer Eerw. moegen noch eenmael aan sijner L. scrijven. Het velt mij itsuntz swaer genocb. Ick bebbe Wes her geit ter maant tot servijs gegeven. Nu is mij oenen carbijn met een jongen toegelacbt, die ick balven tijt den oost moet geven. Voort, E. beere, en weet ick uwer Eerw. nyet nyews tbo scrijven, dan dat wij itsuntz des dynst Godes geheel berooft sijn —Qodt sijt gedacht—; wie tselfde toegegaen is, sullen uwer Eerw. genoecbsaem van den brenger dessen vernemen; alle dinck dyndt niet gescreven. Nu hebben uwer Eerw. volle bericht mines gelegentbeitz. Begeer weder, soe der eener totten den anderen niet gescreven en kan sonder groete gefaer, uwer Eerw. gelieven weder met brenger dessen die gestaltenisse onsser abdijen, oick onsser metbruederen aan den Lingencant etc. overscriven, oick ofter wijders in der saecken gebandelt is etc., und oick met die ruyme rekenynge des rentmeisters. lek seecb noch gerne die welvaart onser abdijen. Desen boden hebben wij selffs met Marton Haenen ‘) gebuyrt. Hiermede uwer Eerw. in scbutz des Almogenden bevelende, met begerende uwer Eerw. gelieven mijnne und Nuynems

') Maften Haan te Mill.

Sluiten