Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

naer dat dese stadt aen de Heeren Staten was overgegaen, loffelijck gepleecht heeft.»

• Hij werd omstreeks 1560 geboren en verklaarde in 1623 dat hij:

«van dat hij acht jaren olt (was) geweest, oeck (te Kampen (had) gewoent ende verkeert met zijn medebroeder Henrick Thoenissen, die toen zes en zeventig jaar oud was; zij verklaarden daarbij dat zij destijdes als de Roomsche Religie hier binnen deser stadt opentlyck worde geoefent, als conventualen oft mede-religieusen (hadden) gewoent in Sellebroeders klooster alhier, daer nu twesenhuys is, ende doe daechlycks offt dickwijls in de boven kercke mede (waren) gewest, om den dienst ende predicatien aan te hooren, daer over dat zij noch goede kennisse (hadden), waer op de selve tijt de vonte ende altaeren stonden in de kercke voorschreven enz.»

Hun getuigenis moest waarschijnlijk dienen in een rechtsgeding over eene vicarie en werd door hen afgelegd „ter instantie ende versucke van de Edelen ende Erentrycken Juffer Joanna toe Boecop, weduwe van zalige Joncker Johan Witten, in zijn levent Eentmeester des landes Sallandt.” ')

Broeder Peter overleed waarschijnlijk in het begin van Mei 1625. Den 12 Mei toch van genoemd jaar nam de stedelijke Eegeering een besluit omtrent een verzoekschrift van Ariaen Geertsen, waarin deze verzocht om begunstigd te worden met de woninge van het huisken in ’t Agneten-klooster, daer Broer Peter Celmonnik in placht te wonen. “)

') Zie Overijselsche Bijdragen VI.

In den «Racionarius der Uterwijcks vergadering» (archief der L. Vrouw kerk te Kampen) vond ik onder de onkosten voor de ziekte en het begraven van Geertken Pelsers, die den 9 November 1607 overleed: «noch broder Peter dye sellebroeder gegeven van dat hij voer ende nae bij de krancke gewest ys, facit een halve goltgulden ij stuvers.»

Sluiten