Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Omtrent het afsterven van den broeder verhaalt ons genoemde pastoor Wayer:

«Als nu den voerseideu Broer Peter doot-cranck te bedde lach, is (heer Volcquerus Herckinge) tot Campen geroepen, om hem sijn kerckelijcke gerechten te geven. Desen broer Peter heeft in sijn laetste seer gojammert ende weeklaginge gedaen, dat hij de doot-crancke ende stervende menschen met al te veele woordicheyt ende luytbaer spreken vermaent ende vertroost hadde; aengesien hij nu bij sijn selven bevont, dat het hem seer swaer ende moeijelijck viel, met sooveel woordicheyt vermaent ende vertroost te worden.»

De goede Broeder, die vijfenveertig volle jaren bij het felste woeden der vervolging, onbezweken pal stond in zijne bovenmenschelijke taak, beeft een eereplaats in de annalen der Kamper parochie ten volle verdiend. Zijne nagedachtenis zij er in zegening.

De overige Cellebroeders waren: de reeds genoemde Henrick Thoenissen, Bartbolt Gerrytsen en Frerick Qerritssen. Hun alimentatiegeld werd in op 25 goudgulden, voor ieder, gesteld. ‘)

Pater Symon, de overste van bet klooster was reeds eenige jaren vroeger overleden, waarschijnlijk in 1585. In de kerkerekeningen toch staat onder 1586 opgeteekend: „Item rest an de Paeter fan de Sellebroers graffe yn de kercke 7 beren ffi 10 stuvers”. De schuld werd echter het volgende jaar aangezuiverd en de kerkmeester Jan Henrycksen Lakensnider kon dat jaar onder de ontvangsten hoeken : „Item van die Zelige Paetter Syemens ghrofft 7 heren « 10 stuver”. Zijn zuster Lijffgen Pops dekte het graf van haar eerwaardigen broeder met een zerk, waarvoor zij aan de kerk betaalde vijf heren pond en tien stuivers.

') Raadsresol. fol. 4. in margine.

Sluiten