Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kunde had toegelegd, een vriend van den Milaansclien koogleeraar Henricue Puteanus, die in 1606 Justus Lipsius’ opvolger werd op diens leerstoel te Leuven vestigde zich in 1613 te Zwolle en trok van daar uit naar de omliggende gemeenten. ')

De ijverige Oathuis, van wien Andreas Tiara in zijne onlangs uitgegevene „Annolationei' getuigt, dat hij een zeer bewegelijk man was, die nooit lang op eene plaats verkeerde, maar als een waarachtig Apostel, gedreven door den Geest Gods, voortdurend rondreisde, zal, toen hij eindelijk, het zwerven moede, te Zwolle een vast verblijf koos, zijn aard wel niet geheel hebben afgeschud, en ongetwijfeld den Kampers, die zijn hulp zoo dringend verlangden, nu en dan de behulpzame had hebben geboden. Hoe bewegelijk

') Zijn ware naam was Cathuis, niet Cathius. (Zie verhaal V. d. verrigtingen der Jezuieten in Friesland 340).

In het «Breve Chronicon» etc. {Arch. v. h. Aarlsb. VI. 409), leest men: 1613 «Tandem hoe anno ad Zwollanorum preces societatem Jesu expetcntiuni primus in ea urbe stabilem sedem fixit Arnoldus Cathius». Blijkens het Hs. van past. Wayer is dit niet geheel juist. De Zwollenaars worden hier voorgesteld, als hadden zij eene bizondere genegenheid voor de Sociëteit, aan wier leden zij de voorkeur gaven boven de seculieren. Dit was echter niet het geval; de eenige reden, waarom zij Cathuis vroegen naar Zwolle te komen, was dat de Katholieken van Zwolle geestelijke hulp noodig hadden, daar hun eigen pastoor Nicolaas Lonius te Kampen in de gevangenis zat, zooals wij straks zullen verhalen. Ook het «primus in ea urbe stabilem sedem fixit» zouden wij in onze hedendaagsche parlementaire taal eene «onjuistheid» noemen. De woorden zooals zij daar liggen beteekenen, dat hij de eerste priester was, die daar zijn vast verblijf vestigde. Wellicht heeft de schrijver bedoeld: «primus e patribus socielatis».

Uitgegeven door G. 11. van Borssum Waalkes. (Leeuwarden, Meijer en Schaafsma).

Sluiten