Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de „bruerschap van oase L. Vrouwe” werd bevonden in 1593, toen ze tevens nog bezat „25 gld. jaerlijx „incomen van landpacht ende anders, ende noch eenige „juwelen, die se op baere maeltijt van eenige conti„nuele dagen ') plegen te vertonnen.” Anderhalve eeuw later bleek dit armenhuis te zijn ingericht tot „8 kameren ter bewooninge van onvermogende(n) en lieden die niet langer bekwaam zijn hare kost te winnen”. Van de verdere aanwinst en het beheer der goederen, die langzamerhand een mooi hezit vormden , gewagen we hier niet; genoeg zij het te hehben vermeld, dat de gezamelijke waarde ervan in 1819 werd geschat op 5503 gulden. De jaarlijksche opbrengst ervan strekte tot voorziening in de behoeften der broederschap, hetzij aan den maaltijd, hetzij in de kerk, hetzij ter hedeeling der armen.

Deze laatsten waren bij de stichting niet heöogd, maar de edele liefde der broeders gaf hun spoedig deel in de vreugde, straks zelfs het leeuwendeel en nog meer. Aanvankelijk plachten de armen slechts die vruchten van een jaar te plukken, welke op de behoeften der broederschap werden overgehouden. Straks speenden de broeders zich zelven, om rijker gaven voor de armen te winnen. Op het midden der 17® eeuw of reeds vroeger was de dubbele teerdag, door de broederschap aan hare leden verstrekt, teruggebracht tot een enkelen, den rekendag, en in 1667 bepalen

') Bijdragen van ’t Historisch Genoots. te Utr., VII, bl. 247. Streng genomen kon de schrijver de waarheid van zijn gezegde volhouden: twee is juist de eerste trap, waardoor men opstijgt tot eenige.

2) Geheym-schrijver van staat en kerke, bl. 198.

Sluiten