Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het Placaat van Haar Ed. Gr. Mog. in dato den 21 Sept. 1730 aan de Roomse priesters gelast en injungeert.

Is na deliberatie en gezien zijnde het berigt en advis yan den substitut-bailliuvv van Gooyland, alsmede het Toorsz. declaratoir van den medicinae doctor v. d. Eyden, goedgevonden en verstaan, aan den suppl. bij dese te permitteeren, gedurende sijne voorsz. ongemakken, dog langer niet, tot sijn adsistent of eapellaan te mogen gebruyken den voorn. Joannes Henr. Berendtzen, mits dat de gem. adsistent of eapellaan, alvorens eenige dienst te mogen doen, niet alleen voldoet aan al betgeene het gem. Placaat van hem requireert, maar ook den suppl. van zes maanden tot zes maanden met behoorlijke attestatie van den voorn, snbstituut-bailliuw van Goyland van desselfs toestand aan Haar Ed. Mog. deed blijken, en dat, wanneer bevonden word, dat den suppl. in staat zal zijn den dienst als voorheen te konnen waarnemen en verrigten, de voorz. permissie tot het houden van een adsistent of eapellaan aanstonds zal komen te cesseren.

En zal extract deser gegeven worden aan den suppl., om zig daarna te reguleren, en aan den substituuthailliuw van Goyland, om te dienen tot desselfs narigt.

Accord* met het voorsz. Register;

(get:) A. V. Straten.

Op het volgende blad stond door een andere hand aangeteekend: (De bekende) verklaring (door J. H. Berendtzen) gedaen, 25 May 1756.

AVat moeten de Roomschen dankbaar zijn geweest voor eene vergunning zoo mild en zoo edel, als de Staten van Holland gaven op 20 Mei 1756! En wat verheven wijsheid spreekt er uit die zoo gulle beschikking! Het doet deugd, hierop te letten. Want aan een makelaar, of hoe ge zoo’n man noemen wilt, die in dergelijke zaken middelend tusschen beiden moet treden, in allen gevalle een man van Staatsche kleur, aan zoo’n middelaar dan hebben de Edelmogende Heeren

Archief XXV.

20

Sluiten