Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hortus) te Wittewierum in Groningen, die de vreelijke ramp beleeft en deze ontzettende verwoesting met eigen oogen aanschouwd heeft.

De middeleeuwsche kroniekschrijvers, die over den St. Marcellus-vloed handelen, hebben, voor zoover mij bekend, allen geput uit het beroemde werk van den Cistercienser Caesarius van Heisterbach, een tijdgenoot van genoemden Bloemgaarder abt.

De beschrijving, die Caesarius geeft van den storm en de verwoesting door den vloed aangericht, is veel minder uitvoerig dan die van Übo Emmius en diens zegsman, Emo van Wittewierum. Toch is Caesarius’ verhaal voor ons van veel grooter gewicht. Van hem leeren wij, dat deze overstrooming over ons vaderland gekomen is als een straf des Hemels voor de zonden onzer Vaderen en inzonderheid voor eene gruwelijke heiligschennis aan het aanbiddelijk Sacrament des Altaars gepleegd.

In meergemelden Dialogus Miraculorum i) verhaalt de Heisterbachsche monnik;

tijd daarna in het jaar 1218 luerd Fries-

1) Distinctio VII c. 111.

2) Door sommige schrijvers wordt de Marcellusvloed geplaatst in 1219, door anderen in 1218. Het verschil spruit voort uit de omstandigheid, dat destijds het jaar op sommige plaatsen begonnen werd op den 25 December, elders weer op den len Januari, door velen op den 25 Maart of ook wel op het Paaschfeest. »Isti inceperunt annum a nativntate Domini, quando in came apparuit, aÜi ab annunciatione quando in utero rirginis carneni assumpsit”, zegt Menko, die van dit verschil in de opgave van den Marcellusvloed gewaagt. De schrijver van De Abdij Bloemhof dit vraagstuk in Bijlage II van zijn werk uitvoerig behandeld. De belangstellende lezer zij naar deze geleerde verhandeling verwezen,

Sluiten