Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van veertig dagen aan de H. Stede verleende, verschilt een weinig van de beide eerstgenoemde brieven; in den laasten luidt het, dat men, om den aflaat te winnen ,een omgang moest doen om het altaar, waaronder het Lichaam des Heeren was besloten, (sub quo corpus Domini Christi ibidem est reclusum).

Naar ons Caesarius meedeelt, waren de wondervolle gebeurtenissen van het jaar 1219 al spoedig bekend bij de Cisterciensers van de Groninger kloosters te Aduard en te Jesse. Van den Prior van Jesse vernam de schrijver van den Dialogus, dat de kampvechter, die naar de openbaring der H. Maagd in onboetvaardigheid stierf en een verworpeling werd, naar het uiterlijke te oordeelen, bij zijn vertrek bewijs gaf van eene boetvaardige gezindheid. De monniken van het Aduard-klooster verhaalden Caesarius de overige bijzonderheden: de verschijning der H. Maagd aan de moei van abt Wigbolt en het voorschrift van den Bisschop van Munster omtrent het openbare eerherstel.

Zooals wij zagen, bleven in den eersten tijd, nadat de bovenverhaalde gebeurtenissen waren voorgevallen de Premonstratensers in Groningen van alle bericht dienaangaande verstoken. De Cisterciensers daarentegen kenden de toedracht der zaak zoo nauwkeurig mogelijk. Zelfs hadden zij, althans sommigen hunner, den kampvechter zelven gezien, of ten minste van ooggetuigen vernomen, dat de heiligschenner duidelijke bewijzen had gegeven van een verbeterde gezindheid.

Is het wonder te Hasselt voorgevallen, dan verklaart alles zich vanzelf. De Premonstratensers woonden al te ver van Hasselt, om spoedig met het gebeurde in kennis te kunnen komen. De Cisterciensers van Aduard en Jesse daarentegen woonden vooreerst minder ver

ARCHIEF XXVI.

4

Sluiten