Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

spoor gevolgd: den vorscher naar zijne werken stelt hij erg genoeg te loor. We vonden nog dat zijn achtbare moeder lange jaren aan de zijde bleef van haren zoon, om in den zegen van zijn vromen arbeid te deelen; doch op 6 Juni van het jaar 1779 vinde we haar overlijden gemeld.

Blijkbaar was den zoon geen ouderdom weggelegd, zoo gezegend als die zijner moeder; want in het jaar van haar overlijden waren zijne krachten reeds dermate gebroken, dat voor de gewichtige taak van het hoog bestuur hem een medehelper moest worden toegevoegd in den persoon van Reinerus Janssen, pastoor te Baak. Maar onder zijne kudde bleef hij in stilte zich kwijten van zijne herderlijke taak. Hierbij viel hem goedgunstig ten deel, wat zijn vroegere pastoor, aartspriester G. Ram te Montfoort, indertijd door verzoek noch bede mocht verkrijgen: Hij verwierf van Zijne Hoogheid den nuntius I. Busca, dat zijn kapellaan ten Brink, die sinds een jaar of vier hem ter zijde stond en blijven wilde, recht van opvolging in de pastorie te Doesburg verkreeg en op 6 Mei 1784 de brieven hiertoe erlangde.

Nog vijf jaren bleven de beide heeren op dien voet samen werken. Den 17 Maart 1789 schreef de hand van den Aartspriester zelf nog een doopeling in; sedert dien moet hij alles aan zijn medehelper hebben overgelaten, om zich te bereiden voor het stervensuur. Dit sloeg voor hem in de zomermaand des jaars 1789. Zijne boekerij, althans een deel ervan, kwam »per donationem ad oratorium Ettense.” Hij bleef met roem voortleven in een achterneef, eenige maanden voor zijn verscheiden te Etten geboren, Henricus van Dillen, eerst pastoor te Till bij Calcar, daarna een twintigtal jaren professor te Osnabrugge. Ettens doopboek getuigt van dezen:

Sluiten