Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

geving ietwat hardhandig te werk is gegaan, en zulks verzet tegen hem uitgelokt en veroorzaakt heeft.

In die meening wordt men bevestigd door den inhoud van den brief IV, in dag- en jaarteekening van den 17''™ Mei 1554, dus slechts vier maanden na den brief van 29 Januari 1554, waarin die nieuwe coniniissio i}i amplissima forma gegeven is. Daar staat tegenover, dat een tijdruimte van slechts vier maanden een ietwat beperkte tijd is tot een verzet tegen den Deken, groot en krachtig, als zich zoo spoedig geopenbaard heeft. Slechts korten tijd te voren, in 1553» 26 Februari, nam de Deken deel aan het verzet zijner geestelijkheid tegen haar Proost. En nu, slechts weinige maanden later, 1554, 17 Mei, is diezelfde geestelijkheid in verzet tegen hem, George van Prumen, haar Deken. Geven wij acht op het opschrift van den brief: aan den Heer Pastoor van Arnhem, van ons rechtsgebied den Synodalen Deken, of den Deken volgens de Synode. Dat teekent. En in dien brief met dat opmerkelijk opschrift leest men, dat de Deken, door opnieuw afwezig te blijven, hem, den Aartsdiaken, grootelijks heeft teleurgesteld. Het is van de uiterste noodzakelijkheid, dat de Deken terstond te Utrecht komt. Over hoogst belangrijke zaken zal er gehandeld worden. Het is zeer te vreezen, aldus eindigt de Proost, dat de Deken, indien hij niet komt, onherstelbare schade zal lijden {irreparahilc naufragium).

Volgens de letterlijke beteekenis van die woorden, in verband met de gebeurtenissen, die later gevolgd zijn, had de geestelijkheid van het Dekanaat het erop toegelegd, om den Deken, Georgius van Prumen, als Deken af te zetten of te laten afzetten. Men zou geneigd zijn, om aan te nemen, dat Georgius van Prumen niet te

Sluiten