is toegevoegd aan uw favorieten.

Archief voor de geschiedenis van het Aartsbisdom Utrecht; bijdragen, 1900, 1900

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wordt. Het opschrift van den brief, IV, welke van groote welwillendheid getuigt, is: Georgio Prumensi. Ecclesiae Parochialis in Arnhem jurisdictionis nostrae curato.

Alzoo: Georgius van Prumen was als Deken afgezet. Een tijdlang had het Dekanaat geen Deken. In dien staat van zaken werd aan den afgezetten Deken de gewone werkzaamheid van den Deken in een zéér belangrijke zaak opgedragen.

De brief, VI, waarin die opdracht was gedaan, dagteekent den Maart 1559. Ongeveer zes weken later, den g‘'“’ Mei 1559, VII, geeft eindelijk de Aartsdiaken lucht aan zijn bekneld en diepbedroefd gemoed.

Hij had vernomen, schrijft hij, dat de Pastoors (van het Dekanaat) een bijeenkomst gehouden hadden, en de Pastoor van Wageningen in de rechten van den Aartsdiaken getreden was. Wat er in den brief volgt, is niet zeer duidelijk. Het schijnt, dat er te Utrecht een Synode gehouden werd of zou worden, maar de geestelijkheid van de Veluwe daar niet verschenen was, of daar niet verschijnen zou. Thans hebben zij een aartsdiakonale Synode gehouden, aldus de Proost zonder hoofd en overheid, ja zelfs tegen het hoofd en de overheid. Die onnadenkende menschen zoeken zich te onttrekken aan ons bestuur, vervolgt de Proost, ofschoon wij over hun leven en dood te beschikken hebben. Na een voorbeeld daarvan, nog zoo heel lang niet geleden, te hebben aangehaald, brengt de Aartsdiaken zijn zéér zware beschuldiging in tegen de geestelijkheid van de Veluwe: zij wil een Deken hebben uit haar midden, ten einde zonder wet te kunnen leven; vogels van gelijke kleur bijten elkander niet;

ARCHIEF XXVI.

10