Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Uit dit verhaal van Wayer door cursiveering is er reeds de aandacht op gevestigd blijkt, dat het door Rovenius den Minderbroeders gegeven verlof, om zich in Kampen te vestigen, voorwaardelijk was. Zij mochten te Kampen slechts doen, wat zij er vroeger voor de reformatie gedaan hadden; aan de saeculiere geestelijkheid in de zielzorg hulp bieden, zonder zich evenwel met de parochiale aangelegenheden in te laten of zich pastoreele rechten aan te matigen.

Hadden zij zich stipt aan de voorschriften der kerkelijke overheid hier te lande gehouden, hun komst te Kampen zou der parochie slechts ten zegen zijn geweest en niet, zooals helaas geschied is, ook vele allertreurigste gevolgen na zich gesleept hebben. Aan de verwikkelingen, later tusschen de Paters en de Pastoors van Kampen ontstaan, mogen ook de laatsten schuld gehad hebben, de hoofdoorzaak lag bij de Franciscanen, die al aanstonds bij hun komst te Kampen optraden, alsof zij minstens dezelfde rechten hadden als de wettig gezonden herders der Parochie, ja zelfs zoo ver gingen dat zij den pastoor zochten te verdringen.

’t Is waar, de Minderbroeders hadden voor de Hervorming te Kampen een klooster gehad, dat, naar ik vroeger in dit Archief (xv. p. 330) meedeelde, reeds vóór het jaar 1300 gesticht werd. Zij oefenden er destijds echter geen jurisdictie althans pro foro externo uit, wijl de stad voor de Reformatie slechts éene parochie uitmaakte. Aan het hoofd dezer parochie stond de pastoor, zonder wiens toestemming, niet slechts de religieusen der verschillende conventen van Kampen, maar ook de wereldgeestelijken der Lieve Vrouwe- of Buitenkerk geen zielzorg mochten uitoefenen. De kerk der Minderbroeders stond voor de parochianen open.

Sluiten