Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

tot de stedelijke Regeering met een verzoekschrift, waarin hij dien eisch »eene dwingelandie (noemde), die geene zijner voorsaten gevargt is en des suppliants eer en goede trouw bij andere verdacht maakt.” De pastoor verzocht de Sted. Regeering hem te willen meedeelen, of hij verplicht was »dusdanige ouverture der kerkstaat te geven aan de gemeinte dan niet, met versoek indien de suppliant gehouden (mocht zijn) rekening en visie der saken te geven, hem en den kerkmeesteren (mocht) gelast worden zulks op het raadhuis' te doen.”

Korten tijd daarna overleed een der vier kerkmeesters, Simon Schuurmeyer. Zoolang in den treurigen toestand der geldmiddelen van de Pastoors-Statie geen verandering was aangebracht, was niemand der gemeentenaren te bewegen dien post te aanvaarden, zoodat de toestand hoe langer hoe ingewikkelder werd. De zitplaatsen brachten slechts 285 gulden op, zoodat er, na gedane rentebetaling aan den crediteur H. J. Kistemaker te Zwolle, nog q 5 gulden overschoot. Maar zooals de pastoor reeds aan de Stedelijke Regeering gemeld had, waren de kosten hooger gestegen, dan men bij het bestek geraamd had. Er was nog altijd een schuld van bijna twaalfhonderd gulden, die slechts kon gedekt worden, indien de gemeentenaren den pastoor en zijnen kerkmeesters trouw en offervaardig ter zijde stonden.

Doch in plaats van hulp te bekomen, moest het kerkbestuur het met leede oogen aanzien, hoe dagelijks het getal der overloopers toenam, en de pater de ontevredenen in hun verzet stijfde door, hun »of voor niet of voor eenen geringen prijs” plaatsen te geven. Pater Adams was, naar de pastoor en het kerkbestuur

Sluiten