Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar hij voor zijn wettige bevestiging het bestuur vart het bisdom aanvaard en bij den keizer de rijksh;enen had verheven. Jegens Willem Berthold, toen nog te Rome verwijlend, toonde Zijne Heiligheid zich gunstiger gestemd: want aan hem schonk hij den zetel van Utrecht, die Jan van Zyrik, gelijk we boven zagen, in ’s Pausen handen had gesteld, i)

»In bezorgde opmerkzaamheid dus getuigt »Bonifacius VIII zagen we om naar een uitnemend »persoon, die gedost in den praal der deugden met »den toeleg van zijn ijver het goede in de kerk van »Utrecht kon vermeerderen en hare rechten groot»moedig beschermen door de kracht van zijn arm. »Daarom hebben we op u, die met roem bekend en »een man zijt krachtens uwe verdiensten ons welge»vallig, een man van erkende deugd en beproefde »rechtschapenheid, het oog van onzen geest gericht, »en hebben bij rade onzer broeders en uit de volheid »der Apostolische macht, u, toen proost van Leuven »in ’t bisdom Luik, tot opziener en herder over de »kerk van Utrecht gesteld, en hare algeheele zorg en »leiding in het geestelijke en tijdelijke u toevertrouwd. »In de meening, dat we niet alleen zorgen voor de «vermeerdering uwer eer, maar ook voor den vrede, »het nut en welzijn dier landstreek, hopen we vast, »dat gemelde kerk van Utrecht onder uw bestuur, »met Gods gunst, een blijden vooruitgang zal erlangen, »in het geestelijke zoowel als tijdelijke.” Dit stuk, gegeven bij St Pieter, te Rome, op Zaterdag na O. L. Vrouw-Lichtmis, werd den nieuwgekozene overhandigd en verder met een kleine wijziging verzonden

B. Fiseu, Sancta Legia, Romanae Ecclesiae Jilia, II bl. 33, 34, 40.

Sluiten