Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Hierop volgt de beschrijving van den krijgstocht naar West-Friesland.

»Hi gaderde lude souder vorste,

Eiide doet se alle met logheiieu roereu,

Dat si met hem overvoereu.

Met menigheu scepe ende met groten

Quamen si over tere roten

Bi Monnekedamme onder dat lant.

’t B'olc ghevreischet altehant,

Ende sette hem dapperlike ter were,

Als si vernamen ’tfrejmde here.

Kenuemaers ende Waterlandre

Quanien daer ende menich andre

De hem ter weren scoepen wale.

Wat holpe hierof langhe tale?

Si voeren toe al sonder vaer.

Een groet scip si wonnen daer

Met crachte doe den Vriesen af,

50 dat hem dat volc opgaf,

Die daermede quamen ghevaren,

Behalven die daer versleghen waren.

Men ghinc daer houwen ende slaen:

51 vloen, de mochten ontgaen;

Dat volc wart al ondaen.

Men sachter niement ter weren staer

De bisscop vlo veeri^ie:

Want hi hem emmer niit en weerde.

Hi liet sijn scip, het was so groet,

Ende spranc in enen mindren boet.

Daer hi mede ontfoer altegader.” (VI v. 45—69.)

Hierna haalt de schrijver zijne zweep over de rug van den bisschop en het luidt:

en verbitterende prediking. En als u de teekening van dezen laatste bij de Wind, Bibliotheek der Nederl. Geschied, bl. 50, heeft gelezen, dan weet u ook, dat deze man uit ontzag voor een bisschop de waarheid niet verzweeg.

Sluiten